Het leeft in Sint-Gillis (3)

13735684_10209880117302188_2463496974292465280_o

 f1000011

 

Het ambachtelijk bedrijf

Vaak vergeten, niet bekend of stomweg over het hoofd gezien is de waarde van eenmanszaakjes of familiebedrijfjes voor de buurt. Niet de anonieme grote ketens, de dertien in het dozijn franchisestore, of de hypermarkt waarvan de eigenaar nooit aanwezig is en in een ver weg land aan het rentenieren is brengen de winkelstraat tot leven. ‘Integendeel,’ zegt Alexander bij Individually Owned Shops, ‘juist kleine winkeltjes, ambachtelijke speciaalzaakjes, wijkwinkels waarin de hele familie meehelpt om hun klanten met liefde en toewijding te helpen, zelfs de klant bij naam en toenaam kent, zorgen voor een persoonlijke band met hun omgeving en maken het dat de het verdiende geld ook terugvloeit in diezelfde gemeenschap.’ Het is vanwege de hoge huurprijs en het ondoordringbare woud van regelgeving dat het vele winkeleigenaren onmogelijk wordt gemaakt om te beginnen. En als een durfal al begint dan houdt hij het nog geen jaar vol. Leegstand is het gevolg.

En leegstand zie ik om de hoek van Brasserie Verschueren, in Chaussée de Waterloo en Rue de Fort, winkelstraten waar het voor artisanale, kleine winkeltjes en eenmansbedrijven bijna onmogelijk is om te overleven. Winkelramen zijn dichtgeplakt, deuren dichtgetimmerd. En juist in deze straten loopt het vol als er markt is want als de weg is vrijgemaakt en de auto geweerd, net als in de binnenstad van Brussel, komen de mensen vanzelf, zelfs met de gehele familie, en is er een sfeer van rust en gemoedelijkheid waarin de bezoeker alle tijd neemt, en met een gerust hart alle marktkraampjes en winkels afgaat en met de koopman een praatje maakt zonder zich om de 5 minuten druk te maken of de parkeermeter afloopt. Op marktdagen zeggen de mensen liever naar Heilige-Gillis te komen dan dat ze naar andere Brusselse gemeenten gaan om inkopen te doen in onpersoonlijke shopping malls naar Amerikaans model, megagedrochten voor de duizenden.

 

Op het dak van de wereld

De glazen zijn leeg, de dorst nog niet gestild, en samen bestellen we nog een De la Senne, en aan de muurkant, achter de rug van Frank Schlömer, zit nu een drietal bobos met heftige handgebaren hun ideeën uit te wisselen alsof ieder de Waarheid heeft gevonden en de andere mee wilt nemen in zijn tocht naar de zoete bron. De barman brengt ons nieuwe ammunitie.

‘Een andere belangrijke factor’, vervolgt Frank. ‘Is de komst van de Eurocraten halverwege de jaren ’80. Zij kwamen hier werken voor het Europees Parlement, Europese Raad of een andere instantie en brachten zo geld in het laatje. Ze kochten en renoveerden de mooie oude huizen in het bovenste gedeelte van Saint-Gilles. ‘Maar wat nog belangrijker …’, Frank dempt op dit moment zijn toon en terwijl hij de woorden uitspreekt strijkt hij zacht met zijn wijsvinger over de houten tafel en kijkt met een scheef oog naar de buren alsof hij mij een geheim wil verklappen. Mij alleen. ‘Een zeer belangrijke factor is de voetbalploeg Royale Union Saint-Gilloise. Onze trots uit 1897 en elf maal landskampioen!’

‘Een voetbalploeg?’

‘Dat is juist’, gaat Frank met opgeheven hoofd verder. ‘Union is altijd een team geweest van werkenden. Voor arbeiders en horeca-eigenaren en handwerklieden, een equipe voor de hardwerkende middenklasser. Geen ploeg waar de rijken apart staan van de armen, zoals Anderlecht. Geen ploeg waar niemand naar omkijkt. Neen, het is er één voor de hele gemeente, één voor iedereen! De burgemeester kom je er tegen of de eigenaar van dit café. En dat, moet je weten, zorgt voor binding.’           

We heffen het glas en borrelen nog wat na. Sport, geld en kunst, denk ik. Dat is nog eens een wonderlijke drie-eenheid! Mogelijk omdat het onmogelijk lijkt? Het afscheid komt, l’addition s’il vous plaît!, het ga je goed, tot de volgende!

Ik loop vlug naar huis, tussen het politiekantoor en kerk naar beneden, want weldra zal de duisternis invallen. Le Bas Saint-Gilles is mijn doel, richting de buurt met een heel alfabet aan immigranten en gelukzoekers, nieuwelingen die vroeger per trein het Zuidstation binnen reden en in de straten eromheen hun eerste betrekking vonden. En waar nu de Congolezen luidkeels hun co-voiturage naar Parijs proberen vol te krijgen en iedere dag de dwerg voor de Delhaize om een aalmoes vraagt. De buurt waar trieste addicten naar een euro vragen om zich met vuur in het hart naar de drugsdealertjes op de Chaussée de Forest te haasten (och hemel, ik kan weer spuiten!), alwaar Au Bon Coeur 3 de lekkerste les petits os van het land serveert, en waar zo af en toe, en altijd op onverwachte momenten, een paar ogen zo groen als zuiver smaragd je kortstondig vanonder een sluier aankijken. Beneden, daar moet ik zijn! Daar waar het water toestroomt, het vuil in de straatgoten blijft liggen en iedere dag een straatveger met zijn gele bolderkar en bezemsteel het trottoir veegt, en het achterlijke autoverkeer als dolle honden rondjes blijven rijden. Zenuwslopend.

Bijna thuis! Eerst nog langs het witte neoclassicistisch huis met de blauwe houten rolluiken, Ici Collin staat al jaren leeg, het open kelderraam verspreidt een doodse lucht over de hele straat (is er dan geen leegstandswet?), zelfs straatkatten vermijden het als de stinkende pest. Het lijkt wel alsof er een aantal lijken in de kast zijn gestopt. Voor de nieuwe bewoner. Mocht hij er ooit komen! Dat de buurt nog niet is geïnfecteerd met een dodelijke ziekte is mij een wonder.

Bij thuiskomst klim ik via het klapraampje in de trappenhal het dak weer op. De zon is net onder en kleurt de onderkant van de wolkjes roze, daarboven is het donkerblauw en als je je ogen dichtknijpt zie je de eerste sterren opkomen. Langzaam komt uit het oosten een donkergrijze lucht opzetten, in de verte somtijds een bliksemflits.

Om me heen kijk ik, en draai me om, half liggend op de dakpannen, om alles in mij op te nemen, voor nu, voor later. Als ik me op de ramen van de omringende woningen richt zie ik het leven van de bewoners zich afspelen, een jonge vrouw, haar borsten bloot, doet haar badkamergordijn dicht, in het appartement ernaast wordt tv gekeken, Portugese klanken komen door de open ramen, en bij een van de buren staat een vrouw van midden veertig in de woonkamer, aan de muur hangt een goedkope prent met bloemen en een waterval. De vrouw trekt een donkere mantel over haar turquoise jurk, bindt over haar hoofd een zwarte hoofddoek, knielt en bidt naar de muur, richting Mekka. Tegelijkertijd kijkt haar puberzoon in zijn boxershort op de bank tv, zijn mayonaisetieten hangen tot aan zijn dikke pens.

Ik recht mijn rug, draai me om, naar de eclectische toren van het gemeentehuis van Sint-Gillis, hoger op en verlicht, de donkere wolken stapelen zich op de achtergrond op. Vleermuisjes zoeven pijlsnel door de lucht. Er gaat onweer komen weet ik, op deze broeierige avond. Nog heel even blijf ik, hier op het dak van de wereld. Gelach uit een kamer, twee geliefden omarmen elkaar en de liefde verlaat de slaapkamer door het raam en vult traag en teder de hele buurt. En dan, vlak voordat ik van de rode dakpannen naar beneden glijd om naar binnen te gaan, haal ik diep adem en weet ik het zeker: Het leeft! Het leeft in Saint-Gilles!

 

 

 tekst Flip Cuijpers foto Evelyne Morlot

Related Post