Dood in Brussel (4)Armoede

WP_20170610_07_50_49_Pro

Rich and poor

 

‘Zie je, er is wel leven in de stad!’, roep ik blij als ik met mijn nichtje een pleintje oploop waar kinderen spelen. De ouderen op een bankje en iets verderop, op het hek erachter zitten twee zwarte kauwen met hun snavels naar beneden. ‘Bij mooi weer komt iedereen gemakkelijker weer naar buiten’, vertel ik mijn nichtje.

‘Wat doe ze dan?’, vraagt ze, en ik vertel haar dat wanneer de lente begint de kinderen weer naar buiten rennen, grootouders op een bankje in het park zitten en de vrouwen buiten op straat met elkaar over de buren roddelen. Inwoners bezetten pleintjes en tuintjes en zoeken plaatsen waar ze vertier kunnen hebben, zoals op de Zuidfoor nabij het treinstation. Mijn nichtje lijkt al niet meer te luisteren want ze ziet een groep kleine kinderen spelen en loopt er op af. Met haar blonde haren en blauwe ogen contrasteert ze met de donkere Noord-Afrikaanse krullen. Een begroeting volgt en als vreemde vogeltjes bekijken ze elkaar. Ze verstaan elkaar niet, spreken niet dezelfde taal, maar toch maken ze contact. Even rennen ze enkele rondjes totdat een van de moeders haar kinderen roept. Ze krijgen een ijsje. Mijn nichtje komt weer naast me staan en samen kijken we naar het plastic verpakkingspapiertje dat wordt afgescheurd en vervolgens zo hup, met een licht boogje, naar de grond vliegt. Moeder staat erbij en kijkt ernaar.

‘Dat is vies’, zegt mijn nichtje. ‘Dat mag toch niet? Het papiertje hoort toch in een afvalbak?’

Ik kijk rond en het valt me op dat er meerdere plastic papiertjes her en der verspreid liggen, weggegooid als pruimenpitten. Nu begint het mij op te vallen: vuil trekt vuil aan [1]. En de plastic papiertjes en andere troep zitten vol schadelijke chemicaliën als DEHP en Bisphenol A die met het regenwater eruit worden gespoeld en tussen de randen van de betonnen pleintegels de grond intrekken. Dieper, steeds dieper, het grondwater in. Om daar vervolgens af te vloeien naar een waterzuiveringsinstallatie en via een aantal bewerkingen te worden gezuiverd (maar DEHP en Bisphenol A kunnen niet uit het water worden verwijderd) om weer via waterleidingen in onze keukens te komen. Onze eigen chemische substanties drinken we gewoon weer op. Wat dit vervolgens in ons lichaam doet is nog grotendeels onbekend, de effecten van 80.000 synthetische componenten onderzoek je niet op de een op ander dag, maar wetenschappelijke bewijzen beginnen zich op te stapelen dat deze chemicaliën zorgen voor kanker en neurologische aandoeningen.

Schrikbarend vind ik het om te zien hoe makkelijke onze maatschappij omgaat met de producten van de chemische industrie. We hebben veel te danken aan plastics en chemische producten, dat is een feit. Maar het is soms toch verbazingwekkend hoe onzorgvuldig wij met deze materialen omgaan en hoe makkelijk wij onze levens en gezondheid er door laten beïnvloeden. Diesel, pesticide, groeihormonen, chemische verf, onkruidverdelger zoals Roundup van Monsanto, microplastic in tandpasta en shampoo. Het wordt verbrand, opgedronken, op de huid gesmeerd, over planten gesproeid, in de slaapkamers gespoten, op de grond gesmeten. Alsof het schoon water is. Verbijsterend.

‘Waarom doen die kinderen zo?’ Mijn nichtje kijkt me met vragend ogen aan.

Tsja, lief nichtje, waarom doen mensen zoiets? Uit gewoonte misschien, omdat iedereen om hen heen het doet. Uit onwetendheid, onkunde, onbenul wellicht. Of het niet willen weten. Wie zal het zeggen? ‘Veel mensen hebben nooit het goede voorbeeld gehad,’ zei mijn oom toen we onlangs op visite waren en het gesprek over de weggooimaatschappij ging. ‘Goed voorbeeld doet goed volgen,’ vertelde zijn priemende ogen. En misschien zijn de meeste stedelingen nooit goed geïnformeerd geweest, hebben nooit een gemeentelijk infoblad over gezondheid en milieu gelezen. Nooit een krant of boek opengeslagen. Nooit gehoord van een boek over het milieu en duurzaam ontwerpen als Cradle to Cradle (2002) van de heren Braungart en McDonough. Hoe kan het ook als je nauwelijks de taal van je broodheren spreekt, want velen in Brussel hebben moeite met de Franse of Nederlandse taal. De genoemde redenen: het aanleren is nooit als doel gesteld. Gebrek aan geduld en doorzettingsvermogen. Onvoldoende toegang tot de mogelijkheden zoals een opleidingscentrum in de buurt. Laksheid vanuit de regering. Of simpelweg uit armoede.

Armoede

Eén op de drie Brusselaars is arm. Vaak zo arm dat ze onder de armoedegrens leven. Een tochtje met de trein van Brussel-Zuid richting Brussel-Centraal toont mij de naakte armoede in al haar facetten. De vervallen huizen in de Marollen met plastic platen op de plaats van kapotte ramen, bewoonde vochtige kelders, ingevallen daken met vuilnis op de binnenplaats, een wildgroei aan bijgebouwen en illegale uitbouwsels aan de achterkant waar de tuintjes lijken te zijn verdrongen en, iets verder de wijk in, grijze betonnen flats met de schotelantennes. En iedere dag rijden er honderdduizend rijke Belgen langs. In de trein, net als ik nu. Zij moeten dit toch zien? De armoede in de eigen hoofdstad kan hen toch niet ontgaan? Maar ze kijken de andere kant op en denken aan hun eigen huisje met de grote tuin, in hun kleine dorpje, te midden van al dat groen, ver buiten die grijze, vieze en gevaarlijke stad. Moeilijk is het voor een hoofdstad, als de stadbewoners met handen en voeten gebonden zijn, de middelen niet hebben om er een aangename stad van te maken, en deze middelen en gelden ook niet krijgen van de rijken en machtigen die ver buiten de stad wonen. Het is mijn stad niet, zeggen ze. Zij die niets met de hoofdstad te maken willen hebben en er zelfs nauwelijks komen winkelen, arriveren er enkel iedere ochtend om er te komen werken, afgezonderd van de buitenwereld, in een koud kantoorgebouw die is neergezet op de plek waar voordien duizenden families woonden, om vervolgens aan het eind van de dag naar buiten te rennen, vlug het grote socialistische-functionalistische plein over met armetierige vlaggen, de driekleur zij aan zijn met Europese sterren, half struikelend over de daklozen, om snel per trein de stad weer te verlaten. Hun eigen hoofdstad.

In de bruine benedenhal van Brussel-Noord station neem ik de tram richting het centrum en bij de toegangspoorten staan enkele jongens met de nieuwst hippe kleren te wachten. Ze spelen wat met hun dure smartphone, kijken nonchalant om zich heen om dan plots vlak achter iemand aan door de poortjes te lopen. Zwart ziet het van de mensen in de tram. Al die verschillende koppen die je er kunt zien. En de bijbehorende talen die je hoort: Pools, Arabisch, Turks, Portugees. Vakantie naar een ver land is overbodig, een ritje naar Erasmus voldoet. Als ik een paar minuten in de tram sta vraagt een oude vrouw me of ik haar kan helpen. Ze moet naar Place Flagey maar er zijn werkzaamheden en de bus die ze altijd neemt rijdt niet. Heldere informatie naar de reiziger toe ontbreekt.

‘Ik woon al 21 jaar in Brussel en altijd is er wel iets. Zonder dat we er van op de hoogte worden gebracht’, vertelt ze me in het Frans met een licht Spaans accent.

‘Hoe komt dit’, vraag ik haar terwijl ik op een netwerkkaart aangeef wat alternatieve transportverbindingen zijn.

‘Door de overheid’, vervolgt ze en een zoete glimlach verschijnt op haar gezicht. ‘Al jaren dezelfde politieke stroming met dezelfde mensen: links lullen en rechts vullen.’

De zachte ogen van de oude vrouw blijven me lang aankijken. Alsof ik haar doe denken aan vervlogen tijden. Aan een gezicht van lang geleden. Van haar jeugd in het warme Spanje, waar de zoete sinaasappelen aan de bomen hingen en de mussen vrolijk de dag bezongen, nabij het Moorse fort in de stad, met haar klinkende kerkklokken. Aan een gezicht van een verloren liefde, een tedere maar verloren liefde. En op haar leeftijd, na het te hebben gezien van zoveel gezichten, vallen nieuwe gezichten samen met de gezichten van vervlogen tijden. De nieuwe vinden een gelijkend masker.

De tram stopt. De vrouw stapt uit, geeft me een omhelzing en een vlugge kus op mijn wang. Een beetje beduusd kijk ik rond. Mijn oog valt op een dronkenlap die zijn roes uitslaapt. Wie zijn deze armen en wat is de reden dat er zoveel armoede is? Rijken trekken armen aan, hoor ik vaak, en dat er naast armen ook veel rijken zijn is ook goed te zien in Brussel: oud geld uit de randgemeenten, zakenmensen met een chique appartement in Elsene, huisjesmelkers die de huur opstrijken van armen in de Marollen en het weer uitgeven in Avenue Louisa. Zelfs in het openbaar vervoer zie je naarmate je oostelijker komt de beterbedeelden. Of de tienduizenden ambtenaren van de Commissie of het Parlement en lobbyisten die daar als een gier omheen zwermen. Of de grote groep aan hoogopgeleide, jonge Italianen, Portugezen, Spanjaarden en Grieken die vanwege de hoge lonen en de baanzekerheid naar het noorden trekken om een plaatsje te bemachtigen in een van de EU-instellingen. Eurocraten verblijven meestal niet lang in de stad, hooguit enkele jaren, en hebben ook niets met deze stad van doen. Ze stemmen niet, betalen geen belasting, vliegen op vrijdagavond weer naar hun geboorteland om het weekend bij hun familie te verblijven en het geld daar uit te geven, en ondertussen neemt de kloof tussen de inkomensklassen verder toe. Brussel lijkt geen samenleving maar een samen-leving.

Mensen die geen geld hebben maken de verkeerde keuzes, zo stelt de Britse professor Michael Marmot. Armoede leidt tot het nemen van slechte beslissingen en het overgrote deel van de armen hebben zelfs geen huisarts en stellen medische zorg uit vanwege financiële redenen. Ze hebben het geld gewoon niet om de huur te betalen, voor een vakantie of een sportabonnement. Ook al zouden ze het best willen. Vers, gezond voedsel en kopen bij de biologische supermarkten, zoals de rijken in Ixelles zich kunnen veroorloven, is een droom voor velen minder bedeelden. Groenten uit blik, chips, friet, suikergoed, goedkope blikken bier is waar ze het mee moeten doen.

Zijn de armen er gelukkig mee? Omdat ze niet beter weten? Ik weet het niet. Misschien hebben de mensen met psychische klachten, de alcoholisten, de verwarde mannen die in zichzelf praten, de daklozen die in een portiek slapen het wel naar hun zin. Onwetendheid is zaligheid. Maar als ik de ongelukkige gezichten in de stad zie, de hangende hoofden zonder trotse glimlach, de inactiviteit, dan kan ik toch niet vol overtuiging zeggen dat er veel positieve energie vloeit. En wat mij opvalt is dat naast een hoge graad aan (sociale) entropie in Brussel ik ook veel psychologische entropie zie. Psychologische entropie is volgens de Amerikaanse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi een staat van innerlijke chaos en wanorde bij de mens. In zijn boek Flow (1990) beschrijft Csikszentmihalyi dat het een staat van het bewustzijn is, een mentale staat, waarin informatie van buitenaf conflicterend is met de eigen bestaande intenties. Ieder stukje informatie die we verwerken wordt persoonlijk geëvalueerd, bewust of onbewust: is het een dreiging, ondersteunt het mijn doelen of is het neutraal? Onze mentale conditie is in wanorde als we niet meer de doelen kunnen bereiken die ons bewustzijn heeft vastgesteld, en deze mentale staat kan vele vormen aannemen: pijn, woede, jaloezie, angst of ongerustheid. Op het moment dat je bijvoorbeeld bang bent dan krijg je informatie van buitenaf (er dreigt gevaar) die tegenstrijdig is met je eigen intenties (ik wil blijven leven), waarop er aandacht en mentale energie moet worden gebruikt om het probleem op te lossen. Dit moment van innerlijke strijd in de mens wordt dus psychologische entropie genoemd. Indien er echter te veel en te lang energie gebruikt moet worden om de mentale toestand te verbeteren, omdat het probleem niet kan worden opgelost, blijft er geen aandacht meer over voor je doelen en preferenties en geraak je in een negatief gedachtenspiraal. Depressie kan het gevolg zijn.

Het tegenovergestelde van psychologische entropie is flow. Dit is een mentale staat waarin er orde uit chaos wordt gecreëerd en waarin al de psychische energie vrijuit vloeit en besteed kan worden aan het nastreven van je eigen doelen. De informatie van buiten stemt overeen met de eigen intenties. Er is geen reden om bezorgd te zijn, je voelt je gelukkig, en je gaat helemaal op in je activiteit. Tijd lijkt niet meer te bestaan. De positieve feedback die je deze staat van flow geeft maakt het dat je innerlijke ik blijft groeien en dat je door wilt blijven gaan. In zijn boek geeft Csikszentmihalyi legio voorbeelden over hoe mensen een flow geraken: sport, kunst, muziek, praten met mensen, werk, filosofie, religie. De kunst is dus om activiteiten te vinden en uit te voeren om momenten van flow te creëren waarbij complexe doelen worden nagestreefd en waarin iemand zijn tijd en energie ten volste kan benutten voor persoonlijke groei.

Daarentegen zijn er ook voorbeelden waarin mensen in een oppervlakkige flow geraken en waarbij er geen persoonlijk groei is. Drugs, roken en overmatig alcoholgebruik bijvoorbeeld, of passieve entertainment zoals televisiekijken.

En het zijn nu net deze activiteiten die me opvallen in de stad. En het lijkt mij alsof er een groot deel van de bevolking, en zeker een derde deel, hun psychische energie niet kan gebruiken voor persoonlijke groei, voor activiteiten waarbij ze in een flow komen die meerwaarde geeft. De trieste gezichten van de armen die geen weg meer uit hun doffe ellende meer zien, de naar binnen gekeerde blikken, de dronkenlappen en junkies die op straat wegkwijnen, het lijken me signalen dat velen een mogelijkheid missen waarbij ze de chaos in het hoofd kunnen structureren en de energie kunnen omzetten om in creativiteit en om hun persoonlijkheid te versterken. Ik vind het een gemis aan creativiteit en productiviteit dat er geen samenleving gecreëerd kan worden waarbij we gebruik maken van een ieder zijn of haar mentale energie. ‘What a waste of all those years of human consciousness!’

Je zou toch verwachten dat met de huidige technologieën meer mogelijkheden gecreëerd kunnen worden om de mens in de stad te helpen. Internet bijvoorbeeld, kan positief bijdragen aan de informatievoorziening en het zorgt voor een snelle toegang tot kennis over een groot aantal sociale en psychische problemen en mogelijke oplossingen. Internet kan ook gebruikt worden als middel om geld te verdienen, zoals het kopen en verkopen van goederen, het verhuren van een appartement via Airbnb of het verlenen van een dienst als Uber-taxi. Of wordt dit tegengehouden door de conservatieve krachten, door de gevestigde orde, door behoudende politici die nieuwe initiatieven niet toelaten en zelfs verbieden? Ware nieuwe en veranderlijke technologie is altijd maatschappelijk ontwrichtend. Het daagt de gevestigde orde uit en in sommige gevallen is deze gevestigde orde goed in het terugvechten. Maar het kan ook zijn dat juist de gevestigde orde er gewiekst mee omgaan en het verbieden voor de anderen, en dat zij het zijn die de macht hebben de nieuwe technologieën te gebruiken. Het is vervolgens deze gevestigde orde die hun macht misbruikt om de status quo te handhaven, om de stad niet te laten leven, bang dat ze zijn voor creatieve nieuwe krachten die anders zullen loskomen, en dit machtsmisbruik leidt tot onmacht bij een groot deel van de Brusselse bevolking.

Ambachtslieden

Een ander voorbeeld van een op de juiste wijze gebruik maken van mentale energie is eerherstel van de oude ambachten. Door automatisering en mechanisatie enerzijds en de focus op goedkope goederen en kwantiteit anderzijds zijn de oude ambachten met uitsterven bedreigd. Weg is de timmerman, foetsie is de meubelmaker en de smid. Vele neoclassicistische en art nouveau huizen in Brussel schreeuwen om aandacht! Duurzame houten deuren worden vervangen door plastic, ronde ramen krijgen een standaard frame, sierlijke sgraffito bladert van de gevels af. Waar is toch die stadstimmerman gebleven? Haal hem terug en schenk hem nieuw leven!

Tijdens het BANAD-festival vertelde een architect dat er in Brussel hoge nood is aan ambachtslieden en kunstenaars die oude huizen kunnen opknappen. ‘Wachttijden lopen op en de specialisten moeten uit het buitenland worden gehaald. Ondanks het feit dat er zoveel werkeloosheid in onze eigen hoofdstad is. Dat is toch te zot voor woorden! Beter zou er aandacht moeten komen om deze grote groep werkelozen tot ambachtslieden te laten opleiden. Een ambacht leren duurt lang en kost veel energie maar op de lange termijn levert het veel meer voldoening en plezier op dan een standaard job in een doodsaai bedrijf.’

Een eerlijk ambacht heeft een gulden bodem.

 

Flip Cuijpers

[1] ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt,’ zei Johan Cruijff.

L'art

photo by: Cendra Smith

Related Post

Leave a Reply