Dood in Brussel 3 – De vrouw brengt leven

les-sorcieres-du-moyen-age

 

Ik weet het. Het is niet alleen maar kommer en kwel in de stad. Er zijn ook mensen die zich verzetten tegen de wanorde, verloedering en vervuiling. Zij blijven protesteren tegen het lawaai, de saaiheid en de onmenselijkheid. Deze stadbewoners willen dat de stad blijft leven en weren zich kranig tegen de indolentie en de lethargie. Hun missie is om rust, natuur en medemenselijkheid terug te brengen. Zij, de echte helden, pleiten voor de herintroductie van de menselijke maat. En deze helden, zoals de verbeten moeder die het vertikt om voor korte ritjes de auto te nemen en daarom op de fiets stapt, gaan recht tegen de stroom. Met opgeheven hoofd. Want zij hebben lak aan wat andere denken, hun geest staat op scherp. Zoals de taaldocent die in de avonduren de vermoeide nieuwkomers en immigranten de taal van de stad probeert bij te brengen. Zo goed en zo kwaad als het kan. Of zoals de leerkracht die op de middelbare school de kinderen trachten te onderwijzen en die het toch maar moeilijk heeft om de achterstand van sommige kinderen weg te werken. Onderwijs, een van de meest krachtvolle manieren om armoede te doorbreken, geeft de kinderen meer kans op arbeidsmogelijkheden later. Verontrustend is het daarom om te horen dat er ouders zijn die, vanwege een overtuiging, hun kind verbieden om bepaalde lessen te volgen, als bijvoorbeeld biologieles. Een weigering die grote consequenties heeft voor later, niet alleen omwille van de ontwikkeling van het kind maar ook voor het moment dat het kind de arbeidsmarkt betreedt.

Brussel wordt iedere dag ook nieuw leven ingeblazen door de kunstenaar. Rauwe hiphop, klassieke muziekopvoeringen, surrealistische kunstwerken, gebouwen vol graffiti om ze op te fleuren, de meeste nietszeggend maar soms ook ware kunstwerkjes zoals de krijttekeningen van Les Crayon. Zwaar heeft de kunstenaar het, in deze stenen stad, en de kunstzinnige uiting is soms eerder een broos en kortstondig zuchtje wind dan een volwaardig leven gevend ademtocht.

Een pluim verdient ook: de jeugdbegeleider die op de zondag kansarme kinderen naar de Ardennen brengt om er langs beekjes en door bossen te wandelen en zo de jongeren een andere wereld toont dan de bekende concrete jungle. En lof daarbij aan de buitenlandse bouwvakker die in een witte overall op het dak van een vervallen gebouw staat te zweten en er zonder mondkapje de asbesthoudende Eternitplaten verwijdert. Ook de friettenthouder die boven het vet staat te frituren is een held. En de stratenveger die met een prikstok de weggegooide frietbakjes weer opruimt en zorgt voor een schone straat, de politieagent die achter een lamzak aanrent die net een winkel heeft beroofd, de oude mevrouw die iedere dag nieuwe geraniums in haar plantenbak op de begane plant nadat de vorige er door vandalen zijn uitgetrokken, en de bebaarde man met lange jas en gitaar die bij de tramhalte Louisa een van de snellere nummers van Grant Green speelt, ondanks het feit dat de omstanders te druk bezig met hun smartphone. Leven ook in de brouwerij door de middenstander die als doel heeft om zich uit de ellende te werken en zo iedere ochtend weer naar zijn eigen kwaliteitsvolle winkeltje spoedt, een plaatselijk handelszaakje, en er de graffiti van de ramen poetst, de buurtbewoners begroet om een intiem praatje te maken, en met tranen van vermoeidheid probeert te concurreren tegen de grote, anonieme winkelketens. (Starbucks-is-geen-zuivere-koffie!)

Vol leven ook in hartje centrum. Toeristen lopen er rond, maken foto’s, eten een wafel, kopen chocolade voor thuis. Zij voelen zich aangetrokken door de fenomenale schoonheid van de Grote Markt, moeten lachen om Manneke Pis, kijken de ogen uit in de BOZAR, gaan op de foto met Kuifje in het stripmuseum, verbazen zich over de natuurlijke vormen op de huizen van Victor Horta en eten vervolgens een frietje. Maar na een dag Brussel trekken ze al snel naar andere delen van het land. Brugge, Gent, Antwerpen, Bastogne, Durbuy, Mons. Lang blijven ze niet in de hoofdstad. ‘Want,’ zo vertelde een meisje uit Boekarest me onlangs, ‘het historische centrum is mooi maar daarbuiten vind ik het maar niets.’ Nooit zal ze hier willen wonen. In haar eigen Roemeense stad, waar toch veelal grijze eentonige Sovjetarchitectuur te vinden is, is er meer leven op straat en zijn er meer mensen in het openbare leven. ‘Jong en oud,’ zei ze. ‘Niet alleen mannen.’ Het meisje uit Boekarest was vanuit la Grande Place naar zuidelijker gelegen wijken gelopen. Naar straten waar zich ook mensen bevinden, in eettentjes en winkels, of aan de koffie op het terras. Ze praten wat en lurken aan een waterpijp. Maar het zijn bijna altijd mannen, geen kinderen of vrouwen.

De vrouw! Och zij! Zij vecht nog wel het meest van allen tegen het verval. Tegen chaos, rigiditeit en oerconservatisme. Tegen alles wat sterven gaat. Zij vecht, en blijft vechten. Zoals de Italiaanse die in haar eigen biologische lunchroom heerlijke Napolitaanse gerechten bereidt. Gemaakt van lokale producten. Of de goedgevormde Congolese die iedere dag voor de kinderen zorgt en, gebukt onder het huishouden met een schamel inkomen, zich staande weet te houden terwijl haar man er vandoor is met een ander. Of de schoonheid met haar fijne Noord-Afrikaanse gezichtje, donkere haren en felle zwartomlijnde ogen die me vluchtig aankijken en me de kans geeft te zeggen dat ik haar mag begeren in de geurige tuin van Sjeik Nefzaoui, (oh, mocht ik het maar!), zij die haar drie talen vloeiend spreekt en schrijft, beter dan haar broers die de hele dag op straat rondlummelen. Of als de stoere Turkse die overdag naar school gaat, ‘s avond werkt als schoonmaakjuffrouw en zich in de weekenden inzet voor de buurtorganisatie en bij de gemeente blijft vechten voor een nieuwe speeltuin in haar wijk. Oh, de Poolse, Braziliaanse, Griekse, Russische, Franse, Chinese vrouw! Zonder haar was er helemaal geen leven meer.

Leave a Reply