Dood in Brussel 2 – Groene lucht

Parken en groen in Brussel

Figuur: Parken in Brussel en de 3-minuten-zone. 

Groen in de wijk

Mijn nichtje en ik keren om en lopen snel de wijk weer in, weg van de autobaan. We komen dieper de stad in en zijn op zoek naar wat groen en frisse lucht. Maar daar kunnen we lang naar blijven zoeken. Er is weinig groen te zien. Nauwelijks bomen in de straten, perkjes tussen de geparkeerde auto’s, of bloembakken voor de ramen. Geen clematis, geen roosje, geen kapucijner. Geen blauwe regen langs de regenpijp.

Soms zien we een klein, piepklein parkje, dat lijkt te zijn weggedrukt door de omgeving. Of een grasperkje, besmeurd met afval. Is het stadsbestuur misschien bang voor te veel groen? Bang van de natuur? Brengt het te veel oergevoelens naar boven die weggedrukt moeten worden, gerationaliseerd moeten worden? Het lijkt alsof een stad een rationele uitvinding is, geen organische gegroeid geheel, die daarom alleen uit beton en stenen mag bestaan. Maar het zou ook kunnen dat de architecten en ontwerpers van de gemeente die de openbare wegen en ruimtes ontwerpen, en de straten en pleinen indelen, zelf geen voeling hebben met de stad. Enkel omdat ze er werken maar niet wonen. De meeste Brusselse werklieden wonen buiten de stad. In groene dorpen. In een huis met een tuin. Dat zijn dan geen stadsmensen, deze planners van de openbare ruimte, en hebben dus ook geen band met de ruimte waarvoor ze verantwoordelijk zijn. Alsof het een vreemdeling betreft die ze verplicht moeten onderhouden. En dus bedenken ze vervolgens een openbare ruimte die praktisch, functioneel en onderhoudsvrij moet zijn (het mag immers geen geld kosten) en niemand hoeft er vervolgens nog ene keer naar om te kijken. De ambtenaar blijft achter zijn bureau, hoeft de hort niet op en voelt geen noodzaak om te bezien of de stad aandacht nodig heeft. Of dat het leeft. Met als resultaat: een openbare indeling veelal gevuld met beton, steen en plastiek. Paaltjes die krom staan, kapotte kasseien, betonnen muurtjes en nutteloze blokken graniet. Pleintjes van blauw steen waarop niemand lang wilt blijven staan, zo akelig kil is het er, en waar alleen het straatvuil zich ophoopt. De openbare ruimte lijkt zo divers dat er geen cohesie meer is. De lijnen van de straat, pleinen, gebouwen zijn te abrupt, er is te veel chaos. En de koude stenen chaos wordt niet verzacht door planten, bomen of gras.

Weet u waar een gebrek aan is? Bomen. Veel bomen. Lanen en boulevards met rijen linden of beuken, platanen in de straten, eiken op pleintjes. Bomen waar vogeltjes in kunnen zitten fluiten, waar mensen onder kunnen schuilen bij een regenbui, of waarvan de schaduw verkoeling geeft op een hete zomerdag. Wat ik niet zie zijn groene gevels, plantenbakken op de balkons, bewoners die bloemen houden en deze op de vensterbakken bij de voordeur zetten. Misschien wordt het eens tijd voor wat buitenmuren met klimop, een plant voor binnen als buiten, en die volgens de NASA Clean Air Study de giftige stoffen benzeen en formaldehyde uit de lucht kan zuiveren, waarbij het grotendeels de microben in de grond zijn die het grove werk doen en enkele zware metalen opnemen en schadelijke organische stoffen afbreken. Hopelijk kan de natuur ons helpen de impact van de chemische industrie op onze maatschappij te verkleinen.

‘Natuur in de stad is een verrijking voor de hersenen en de sleutel om inactiviteit aan te pakken’, vertelt hoogleraar klinische neuropsychologie Erik Scherder in het tijdschrift van Vitale Groene Stad. Volgens hem is de omgeving bepalend voor ons gedrag. Het daagt de hersenen uit, vooral bij de groei van kinderen. De geluiden van de bomen in een park, de kleuren van bladeren, geuren van bloemen, prikkelen de hersenen meer dan de grijze dorheid van de openbare ruimten. Soms zie je ze wel, enkele bomen in een straat als in Avenue de Stalingrad, of een eenzame donkerrode stokroos die langs de gevel kruipt, alleen zijn de bomen vaak zo klein dat je je afvraagt of ze wel zullen overleven en doorgroeien tot volwaardige kolossen die deze arme stad wat frisse lucht geven. Als ze al tegen het stadsgeweld kunnen opboksen. Want de mooie jonge plataan kan vast wel tegen de motorolie die een Congolees achteloos tegen de stam leeggooit alsof het schoon water is. Niet? En de bruine beuk vindt het vast niet erg als de Pool die lekkende plastic potten vol verfresten en chemicaliën naast haar neerzet. Toch? Dat ruimt de gemeente wel weer op. ‘Apres moi, la déluge!’ Och arme, het beetje groen in de straten heeft het zwaar.

Brussel zegt daarentegen erg groen te zijn. 27m² groen per inwoner. Dat is voor een ieder een grote kamer vol planten en bloemen en een zacht grasperkje om op te liggen, voor als de zon schijnt en de vogeltjes vrolijk fluiten. Maar het zijn valse berekeningen. Het gaat hierbij over het oppervlak in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, niet om de stad zelf. De groene parken van de rijke randgemeenten en de bossen buiten de stad worden meegerekend, oases van rust en vree die moeilijk zijn te bereiken voor de arme stedeling. Volgens de politieke partij Groen hebben de 190.000 inwoners van de armste wijken van Brussel maar 0,5m² aan groen. Niet meer dan een klein tafeltje met wat plukjes gras.

‘De mens verlangt naar groene, open plaatsen en als deze dichtbij zijn dan gebruiken ze die,’ zegt architect Christopher Alexander in zijn A Pattern Language (1977), een bijbel van een boek. De stadsmens moet in 3 minuten te midden van de natuur kunnen staan. Anders is de afstand naar groen te groot. Niet dat de bewoner minder behoefte heeft aan natuur maar iemand die niet met 3 minuten wandelen, een afstand van 250 meter, in een park kan staan zal zich minder bewust zijn van de aanwezigheid van dit stukje groen in zijn buurt en dus minder snel geneigd zijn om daar de rust op te zoeken. Voor deze bewoner zal een groen ruimte een minder vitaal element zijn in het leven van zijn of haar wijk. Alexander schrijft vervolgens: Maak in een stad daarom groene publieke ruimtes die binnen 3 minuten per benenwagen te bereiken zijn. Deze ruimtes zijn dus steeds ongeveer 500 meter van elkaar verwijderd. Zorg daarbij dat ze minimaal 45 meter breed zijn met een oppervlak van 0,55 hectare zodat je echt in contact kan komen met de natuur. Creëer deze ruimtes zo dat ze niet omgeven zijn door straten en verkeer, dan hoort men er nog te veel lawaai, maar omring ze door muren, bomen of gebouwen.

Hoe zit dat nu bij ons in de stad? Ik heb een kleine berekening gedaan met Google Maps en het duurt 45 minuten vooraleer je vanuit de stad met tram of bus in een fatsoenlijk park als het Ter Kamerenbos bent. En voordat je in het grotere Zoniënwoud staat, waarin er bijna geen verkeer meer te horen valt, ben je 90 minuten verder. Ietsje dichterbij heb je het Jubelpark (Cinquantenaire) met 30 hectaren aan grote paardenkastanjes, eiken en beuken. Maar de meeste parken liggen alleen in dure randgemeenten die al veel groen tot hun beschikking hebben, en waar rijken het zich kunnen permitteren om een huis met een tuin te kopen. Zij hoeven geen 3 minuten te wandelen, ze doen gewoon de tuindeur open en stappen zo een andere wereld in.

Zijn er dan in het centrum parken die groter zijn dan 0,55 hectaren en die op 3 minuten lopen liggen [1] ? Op een kaart heb ik met een groene kleur aangegeven welke delen natuur er binnen wandelafstand liggen. Het Warandepark (Park van Brussel) tegenover het koninklijk paleis is met 13 hectaren het grootst. Niet ver daar vandaan ligt het poëtische Egmontpark (1,42 ha), waar gras en bomen de bewoners uitnodigen om te kunnen liggen ontspannen van de zon, weg van het verkeersgeraas. Alleen, wie heeft er bedacht dat er pal naast deze kleine oase een torenhoog wit Hotel moest komen te staan die het paleis van justitie naar zijn kroon steekt? Vlakbij ligt de Kleine Zavel (Square du Petit Sablon) die met haar 0,45 ha eigenlijk buiten het gewenste oppervlak valt maar vanwege haar rust en de vele bloemen en fontein een uitzondering maakt. De Kruidtuin aan de noordkant van de stad biedt ook genoeg mogelijkheden om jezelf op te laden met nieuwe energie. Al is er een weg die de tuin door midden snijdt (een typisch geval van een Belgian Solution). Ook de Kunstberg met haar tuin van ruim 1 ha vol bloemen, buxus en taxushagen is er voor de rustzoeker. Jammer genoeg vormt het betonnen en vervallen Place de l’Albertine met haar vreemde waaier van kapotte piramides rondom het standbeeld van koningin Elizabeth een vreemd aanhangsel. Als dit pleintje omgetoverd zou worden in een halve cirkel gras zou het pleintje een ideale verbinding met de benedenstad zijn. Op de kaart zie je dat vooral de inwoners aan de oostelijke rand, op het hoger gelegen gedeelte van Brussel, binnen een drietal minuten naar een park kunnen lopen. Spijtig genoeg komen de bewoners van de Marollen er bekaaid van af, net als het centrum en de oostelijke stadskant (behalve rond Six Jetons). In kleine mate bieden daar de pleinen aan de Schuitenkaai en de Arduinkaai, alwaar het gebouw van het Koninklijk Vlaams Schouwburg pronkt, nog rust en vree maar de dunne stroken zijn geen volwaardige parken te noemen. Vandaar dat ik de randen eromheen geel heb gekleurd. Toegang tot groen is zeer belangrijk voor de mens maar zoals op de kaart te zien is, is voor vele stadsbewoners is een dergelijke ruimte met een kleine wandeltocht niet bereikbaar. En de benedenstad heeft dit hard nodig.

Zou het volgende project daarom niet een wereldstunt zijn: het afbreken van de twee zwarte torens uit 1969 aan de Anspachlaan, de Philipstoren (Brouckère Tower) en het Muntcentrum, om er een tuin aan te leggen waar kinderen kunnen spelen terwijl hun ouders er rustig op een bankje kunnen zitten? De internationale pers zou met lof spreken over de terugkomst van de allure die de eens zo chique laan in het begin van de 20e eeuw had. Vervolgens zou naast het nieuwe park een deel van de Zenne weer tevoorschijn kunnen komen door het openbreken van de overwelving op de plaats waar nu Parking 58 staat. De oude rivier zal het daglicht kunnen zien en onderdeel van het park vormen, met daarbij een kade waarop mensen kunnen uitrusten, net als in 2005 gedaan is met de Cheonggyecheon riviertje in Seoel. Durft het stadsbestuur het alleen aan?

 

luchtvervuiling

Luchtvervuiling in Brussel

Wat als bewoner zelf te doen? Hoe onze leefomgeving en onszelf gezonder maken? Hiervoor zijn geen grote veranderingen nodig. Alleen een verandering in het levenspatroon. Neem bijvoorbeeld: de metro en tram. Zij stoten niets uit en besparen geld. Geld dat gespaard kan worden om later een huis te kopen, besteed kan worden aan de studie van je kinderen, voor een verre reis, een sportabonnement, of om boeken aan te schaffen voor zelfontwikkeling. En pak ook vooral de fiets! Want het moge duidelijk zijn: fietsen is hot! In steden als Barcelona, Londen, Parijs, Berlijn, New York hebben ze het fietsen ontdekt. Straten worden er opnieuw ingericht voor de fietser en voetganger, auto’s mogen de binnenstad niet meer in, parkeergarages worden onder de grond gebouwd. ‘We willen weer veilig over straat,’ roepen er de bewoners. ‘Geen blik maar mensen op straat! De stad is van ons,’ roepen ze in die landen. In Nederland is fietsen zelf een nationale volkssport geworden. Weer of geen weer, ze stappen er zonder te zeuren op de fiets. Voor een afstand van ongeveer 5 kilometer, terwijl met de elektrische fiets zelfs 15km wordt behaald en met de high speed e-bike nog veel meer. Utrecht krijgt zelfs de grootse fietsenstalling ter wereld. Ondergronds, bij het station. En bedrijven en gemeenten zijn nu samen aan het kijken hoe ze met deelfietsen en met slimme apps op je smartphone de hele vervoerketen kunnen verbeteren. Niet meer van halte naar halte maar van deur tot deur. Voor het middeleeuws stratenpatroon is de fiets naast de benenwagen het ideale vervoermiddel.

Ook in Brussel is er in het eeuwenoude centrum nu een voetgangerszone. Net als de Times Square in New York dat ooit een flinke autobaan was, of la rive gauche in Parijs, en sinds kort zelfs de Champs-Élysées, zijn nu ook de Anspachlaan en de Brouckèreplein voor de auto afgesloten. Hoe lang dat nog zal duren is de vraag want er is namelijk protest uit de hoek van kortzichtige geesten die niets om een levendige buurt geven maar meer om hun eigen portemonnee. Daarnaast is er ook nog weinig gedaan aan een aangename inrichting van de zone en lijkt het alsof de afgezette straten op ieder moment weer terug bereden gaan worden en niet op een speciaal gebied voor de voetganger of fietser. Toch is het een hele vooruitgang vertellen veel Brusselaars. Het leeft er weer op straat. Struinen, slenteren, spelen, zelfs slapen wordt er gedaan. Jong en oud komen er samen.

En buiten deze zone? Wordt er daar nog gefietst door de Brusselaars? Niet echt, heb ik de indruk. Vaak wordt er met de wijsvinger naar de overheid gewezen. Zij moeten een simpelere en veiligere wegindeling maken met duidelijk aangegeven fietsstroken die niet per gemeente verschillen maar harmonieus en begrijpelijk zijn en ook goed onderhouden worden. Een standpunt waar ik het grondig mee eens ben. Maar wat doen de bewoners eigenlijk zelf? Want als ik met inwoners over hun stad spreek dan krijg ik vaak te horen dat ze het vies en luidruchtig te vinden, een plek met veel auto’s en uitlaatgassen, maar bij de vraag waarom ze vervolgens zelf niet de auto laten staan en te voet gaan of de fiets pakken worden er vele argumenten opgesomd om maar niet te hoeven veranderen. Te gevaarlijk, te duur, onverantwoord, regenachtig weer, et cetera, et cetera. Een fietsende moeder heeft vorig jaar een brief in La Libre geschreven waarin ze al deze excuses nog eens opsomt. En ontkracht.

Wat alleen niet in de brief staat is het argument dat bewoners zich niet in de uitlaatgassen willen begeven. Bang dat de fietser is voor het inademen van de uitlaatgassen om hem of haar heen. Een angst die ik me goed kan voorstellen. En de vraag of je nu maar beter wel of niet moet fietsen in het verkeer stelde onderzoekster Magda Cepeda zich 2016 ook. ‘Zal het fietsen in vervuilde steden de gezondheidsvoordelen van deze activiteiten ongedaan maken?’, vroeg zij zich af en ze deed vervolgens een onderzoek naar de bloostelling aan luchtvervuiling bij verkeersdeelnemers. Uit haar onderzoek blijkt dat reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer een langdurigere en hogere bloostelling hebben van schadelijke stoffen dan actieve reizigers (fietsers en wandelaars). Daartegenover staat wel dat actieve reizigers hogere doses stoffen binnen krijgen vanwege het inademen van een groter volume. Maar het allerbelangrijkste is wel dit: in vergelijking met fietsers verliezen reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer tot 1 jaar meer van hun levensverwachting. Actieve reizigers zijn dus gezonder. Dus heren en dames: laat uzelf en de stad weer leven en ga lekker fietsen!

 

 

[1] Leefmilieu Brussel heeft op hun website een overzicht van Brusselse groene ruimten.

Leave a Reply